De dagelijkse praktijk is de krachtigste leeromgeving. Dat is althans mijn ervaring als ontwerper van leertrajecten op MBO(+) niveau. Een echte professional, ook wel Vakman Nieuwe Stijl genoemd, wordt hier gevormd. Een vakman die zijn vak competent uitoefent, die zelfbewust is en leren in een team optimaal benut, maar daarnaast ook zijn talenten weet in te zetten.
Hoe kun je als organisatie de groei tot Vakman Nieuwe Stijl faciliteren? Bij werkplekleren in leertrajecten op MBO(+) niveau heeft de praktijkopleider een belangrijke rol in het begeleiden van de lerende. De praktijkopleider begeleidt het leerproces van de medewerker in de praktijk. De praktijkopleider legt vaardigheden uit, vraagt de medewerker naar zijn aanpak, doet vaardigheden voor, geeft feedback en begeleidt de medewerker stap voor stap tot een zelfstandige beroepsoefenaar. De rol van praktijkopleider is dus essentieel in het leerproces in de praktijk. Om werkplekopleiden echt effectief te maken, is aandacht voor de kwaliteit van praktijkopleiders op zijn plaats. Dit begint al bij de selectie van praktijkopleiders. Je moet als praktijkopleider zelf ook een groei doorgemaakt hebben om een Vakman Nieuw Stijl in de praktijk te begeleiden en op te leiden.
Voor een praktijkopleider is het belangrijk inzicht te hebben in de fases die iemand doorloopt tijdens het leren van een nieuw vak in de praktijk. Graag verwijs ik daarvoor naar het model van Cora Smit uit 2004: Stages of Concern. Hierin worden de volgende fasen beschreven:
Fase 1: Gericht op jezelf: hoe overleef ik
Fase 2: Gericht op je taak: hoe doe ik het goed
Fase 3: Gericht op de ander: de mensen zijn belangrijk
Fase 4: Gericht op impact: en nou moet het anders
Fase 5: Gericht op de essentie: hoe kan ik dit delen
In de eerste fase probeert men een beeld te vormen van de grote hoeveelheid indrukken. Na deze turbulente fase van overleven, ontstaat de behoefte om de taak goed te doen en krijgt men in de volgende fase aandacht voor de mensen om zich heen, vervolgens ontstaat de wens om meer impact te hebben bij verbeteren van processen en – als laatste – het willen delen van hetgeen men heeft geleerd en bereikt. Uit de reacties van mensen kun je afleiden in welke fase zij zich bevinden en aan welke steun zij behoefte hebben. Deze steun is in elke fase van een andere vorm, stelt Cora Smit.
In de vijfde fase komt iemand pas toe aan de behoefte om de opgedane kennis en vaardigheden te delen. Een praktijkopleider kan dus pas effectief zijn, als hij zelf álle leerfasen van zijn vak doorlopen heeft. Doordat de praktijkopleider zelf alle fases heeft doorlopen, is hij goed in staat om aan te sluiten bij wat de lerende medewerker nodig heeft. In elke fase versterkt de praktijkopleider competenties die hij nodig heeft om goede begeleiding te kunnen geven, zoals het reflecteren, openstaan voor nieuwe werkwijzen en samenwerken. Zo ontwikkelt hij in fase 2 reflectief vermogen, zodat hij kan terugkijken op zijn eigen handelen. In fase 3 krijgt hij oog voor het belang van anderen, zodat hij de medewerker ook andere perspectieven kan bieden en leert samenwerken. In fase 4 houdt hij werkprocessen tegen het licht en staat open om nieuwe dingen uit te proberen en in fase 5 ontwikkelt hij ten slotte de capaciteit om de vaardigheden over te brengen. Al deze fasen zijn essentieel om de Vakman Nieuwe Stijl op te leiden.
Kortom, een effectieve begeleider van leertrajecten heeft zelf alle leerfasen doorlopen in zijn vak en sluit in zijn begeleidingsstijl aan bij de fase die de medewerker doorloopt. Bij het streven naar een Vakman Nieuwe Stijl, zul je als organisatie zelf moeten investeren in praktijkleren. De investering begint met een nauwkeurige selectie van de interne praktijkopleider die de ervaringheeft om in elke fase zijn begeleidingsstijl aan te passen. Daarnaast is het van belang dat een praktijkopleider door het volgen van een training handvatten krijgt aangereikt om de medewerker goed te begeleiden. Effectief werkplekleren is geen vanzelfsprekendheid, maar vraagt een goede investering vanaf de start.